Entropia verliest wrakingszaak

verbindingAlgemeen

Het wrakingsverzoek in de zaak Entropia versus KPN is afgewezen. Vandaag publiceerde de Haagse rechtbank haar duidelijke oordeel dat op geen van de punten de rechters bevooroordeeld zouden zijn.

 

Volgens de advocaten van Entropia was een tussentijds beroep door de meervoudige kamer ongemotiveerd afgewezen. Daarnaast was een derde verzoek tot op het moment van wraking geheel onbeantwoord. Gezien de connexiteit van de zaken en het belang van verzoeksters bij toewijzing van het verzoek, had een toewijzing, dan wel in ieder geval gemotiveerde afwijzing in de rede gelegen. Door het uitblijven hiervan komt de rechtelijke onpartijdigheid in het geding doordat in ieder geval de schijn van partijdigheid is ontstaan, zo menen verzoeksters. Ook het door de meervoudige kamer in een eerder stadium van de procedures splitsen van de eerder gevoegde zaken, wijst volgens de advocaten van Entropia op partijdigheid van de meervoudige kamer.

Tot slot hebben de advocataten van Entropia gewezen op een volgens hun bijzondere reeks gebeurtenissen waardoor de schijn van partijdigheid wordt versterkt. Het gaat er dan om dat bij de pers de zittingsdatum 19 januari 2017 eerder bekend was dan bij de partijen, een van de vonnissen van 26 april 2017 reeds op 25 april 2017 is gepubliceerd en de wraking eerder bij de pers bekend was dan dat deze op de rol zichtbaar was.

De gewraakte rechters waren het niet eens met de wraking. Ten aanzien van de wrakingsgrond over de ambtshalve splitsing van de zaken stelt de meervoudige kamer zich op het standpunt dat de wraking op deze grond te laat is omdat deze feiten reeds op 26 april 2017 bij verzoeksters bekend waren. Voor wat betreft de beroepsgrond dat de verzoeken van verzoeksters ongemotiveerd zijn afgewezen, voert de meervoudige kamer aan dat de afwijzing van een dergelijk verzoek een processuele beslissing betreft die geen motivering behoeft. Het wrakingsverzoek moet volgens de gewraakte rechters dan ook afgewezen worden. Op de aanvulling van de wrakingsgronden ter zitting is door de meervoudige kamer niet inhoudelijk gereageerd.

De wrakingskamer overweegt dat enkel uit het feit dat een motivering voor de eerste twee afwijzingen ontbreekt en een beslissing op het derde verzoek is uitgebleven, hoe onbevredigend voor verzoeksters ook, op zichzelf niet zonder meer de vrees van vooringenomenheid naar objectieve maatstaven rechtvaardigt. Een processuele beslissing als deze behoeft immers geen nadere motivering, maar behoeft slechts tegen de achtergrond van de omstandigheden van het geval niet onbegrijpelijk te zijn.

De door verzoeksters aangevoerde omstandigheid dat de aanwezige connexiteit tussen de genoemde zaken vanuit het oogpunt van efficiëntie het openstellen van een tussentijds hoger beroep mogelijk verdedigbaar maakt, is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat de afwijzing van dit verzoek zo onbegrijpelijk is dat dit bij verzoeksters terecht vrees van vooringenomenheid teweeg heeft gebracht. Het onbeantwoord blijven van het derde verzoek leidt, bezien tegen de achtergrond van de twee eerdere afgewezen verzoeken, naar het oordeel van de wrakingskamer evenmin tot het aannemen van de schijn van partijdigheid en kan niet tot een geslaagde wraking leiden.

De in de aanvulling genoemde wrakingsgronden aangaande de zittingsdatum, het ambtshalve splitsen van de zaken en het voortijdig publiceren van één van de einduitspraken zijn tardief. Dat betekent dat het niet meer aan de orde of niet meer redelijk is. Op deze punten zijn verzoeksters niet-ontvankelijk in hun verzoek tot wraking. Voor wat betreft de grond die ziet op het bekend worden van de datum van deze wrakingszitting bij derden overweegt de wrakingskamer dat deze grond weliswaar tijdig is ingediend, maar niet valt te herleiden tot enig handelen van de hier gewraakte meervoudige kamer. Ook deze grond kan dan ook niet tot een geslaagde wraking leiden.

verbindingEntropia verliest wrakingszaak